Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Voorwaarden individueel recht langdurigheidstoeslag

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Den Haag 2012

1.. Wanneer van het gezin zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, het inkomen in de referteperiode, meer dan 110 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt, en gezinsleden in deze periode niet ononderbroken gezamenlijk op hetzelfde adres bij Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven hebben gestaan, kan het recht voor ieder van de gezinsleden individueel getoetst worden, waarbij er op geen enkel moment tijdens de referteperiode sprake mag zijn van een inkomen hoger dan 110% van de op dat moment van toepassing zijnde bijstandsnorm. Gezamenlijk kan het bedrag waarop de gezinsleden aanspraak maken niet hoger zijn dan het recht op langdurigheidstoeslag voor een gezin. 2.. Wanneer één van de gezinsleden zoals bedoeld in artikel 4 van de wet, niet aan de voorwaarden voldoet zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening of is uitgesloten zoals bedoeld in artikel 5 van de verordening, en de gezinsleden in de referteperiode niet ononderbroken gezamenlijk op hetzelfde adres bij Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven hebben gestaan of daar niet ononderbroken gezamenlijk hun woonplaats hebben gehad zoals bedoeld in artikel 40 van de wet, kan het recht voor ieder van de gezinsleden individueel getoetst worden waarbij er op geen enkel moment tijdens de referteperiode sprake mag zijn van een inkomen hoger dan 110% van de op dat moment van toepassing zijnde bijstandsnorm. Gezamenlijk kan het bedrag waarop de gezinsleden aanspraak maken niet hoger zijn dan het recht op langdurigheidstoeslag voor een gezin.

Rechtspraak bij dit artikel