Deze verordening treedt in werking op 1 november 2004.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 16 september 2004 en laatstelijk gewijzigd in de vergadering van de raad van 16 februari 2012.
Soest, 16 februari 2012
De raad voornoemd,
de griffier, de voorzitter,
M.van Vliet MPM AA A. Noordergraaf
TOELICHTING OP DE AFSTEMMINGS/MAATREGELVERORDENING WET
WERK EN BIJSTAND 2004.
ALGEMEEN
Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Onder de WWB dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan belanghebbende mee te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de directe gevolgen lijn voor de uitkering indien belanghebbende één of meer van deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen, veelal een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald. Artikel 8, eerste lid, onder b, van de wet schrijft voor dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand. In de onderhavige Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 zijn deze regels vastgelegd.
Wanneer wordt geconstateerd dat de belanghebbende zich niet houdt aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen (inclusief de verplichtingen die de belanghebbende middels een beschikking zijn opgelegd) of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid toont, wordt de bijstand (tijdelijk) verlaagd door het opleggen van een maatregel. Dit houdt ook in dat als de belanghebbende geen juiste informatie verstrekt de uitkering lager kan worden vastgesteld.
Het geobjectiveerde belang van een bepaalde verplichting kan niet in alle gevallen onverkort de reden van de verlaging zijn. Bij het vaststellen van de verlaging dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Dit kan inhouden dat bijvoorbeeld op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van verlagen van de uitkering. Benadrukt wordt dat in ieder geval van een verlaging van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de belanghebbende door overmacht niet in staat is geweest een of meer afspraken volledig na te komen.
Zoals hierboven al aangegeven houdt de eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening in dat aan het verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze verplichtingen gelden vanaf de melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. Als bijvoorbeeld bij aanvang van de uitkering blijkt dat de belanghebbende door eigen toedoen zijn baan heeft verloren en als gevolg daarvan een beroep moet doen op bijstand, is hij daardoor niet de verplichting nagekomen om waar mogelijk in het eigen bestaan te voorzien. Dit geldt ook in situaties waarin belanghebbende door zijn handelen of nalaten het recht verspeelt op een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, of wanneer hij zijn vermogen te snel heeft ingeteerd. Verder kan het gaan om situaties waarin de belanghebbende te weinig zijn best heeft gedaan om aan het werk te komen, bijvoorbeeld door te weinig te solliciteren of door het weigeren van aangeboden arbeid.
ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING.