Indien belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste 8 weken opschorten (artikel 54, eerste lid van de wet). Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij belanghebbende een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (artikel 54, tweede lid van de wet). Artikel 54 betreft een bevoegdheid voor het college. Wordt de gevraagde informatie vervolgens niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten (het intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand ongewijzigd voortgezet.
Tweede lid
Uit doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen om niet al bij de eerste overtreding van de in dit artikel bedoelde verplichting over te gaan tot het verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter herhaaldelijk de fout in te gaan, dan is het wel gepast om de mogelijkheid te bieden om over te gaan tot het verlagen van de bijstand, om zodoende een verandering van houding en/of gedrag te bewerkstelligen. Dit lid regelt de hoogte van deze verlaging
Artikel 10
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 11 Eerste lid
In dit lid wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Bijvoorbeeld het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Vanuit doelmatigheidsoverwegingen wordt er voor gekozen om niet bij de eerste gedraging als bedoeld in dit artikel over te gaan tot het opleggen van een maatregel, maar om van deze mogelijkheid pas gebruik te maken bij het bij herhaling vertonen van dit gedrag.
Bij de eerste gedraging als bedoeld in dit artikel dient de belanghebbende schriftelijk gewezen te worden op de7e gedraging en op de mogelijke gevolgen van het nogmaals vertonen van dergelijk gedrag.
Tweede lid
De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand of langdurigheidstoeslag dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.
Derde lid
In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld
Vierde lid
Dit lid regelt dat een strafrechtelijke vervolging voorgaat op de mogelijkheid tot het opleggen van een maatregel. Tot het moment van in werking treding van de wet bestond voor gemeenten de verplichting om voor fraudes boven de £ 6000,-- proces-verbaal op te laten maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM). Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de wet de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) in beginsel een maatregel moeten opleggen. In gevallen dat het OM overgaat tot vervolging wordt afgezien van het opleggen van een maatregel. De Centrale Raad van Beroep heeft zich in het recente verleden uitgesproken tegen "dubbele bestraffing.
Vijfde en zesde lid
In het vijfde en zesde lid wordt geregeld dat op het moment dat fraude geconstateerd wordt op het moment dat de bijstand beëindigd is, de bijstand gedurende de fraudeperiode toch kan worden verlaagd. Deze verlaging leidt tot herziening van uitkering en terugvordering. Het totaalbedrag van de terugvordering van de fraude én de verlaging achteraf kan niet meer bedragen dan het bedrag dat belanghebbende gedurende de fraudeperiode aan bijstand heeft ontvangen. De periode van verlaging kan ook nooit plaatsvinden voordat de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.