Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 2.

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Monumentenverordening 1990

1.. Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5 moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders. 2.. Op een in behandeling genomen aanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing. 3.. Een ieder kan zijn zienswijze over een in behandeling genomen aanvraag naar voren brengen. 4.. Burgemeester en wethouders brengen de aanvraag en het verslag van de voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht terstond ter kennis van de planadviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht. 5.. Binnen 8 weken na afloop van de termijn, waarbinnen eenieder zijn zienswijze naar voren kan brengen, brengt de planadviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht geacht geadviseerd te hebben. 6.. Bij overschrijding van de in lid 6 genoemde termijn wordt de planadviescommissie monumenten en beschermd stadsgezicht geacht geadviseerd te hebben. 7.. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om vergunning binnen zes maanden na de indiening. Zij kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes maanden verdagen; hiervan doen zij de aanvrager onmiddellijk schriftelijk mededeling. 8.. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het zevende lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 9.. Een vergunning blijft buiten werking gedurende 4 weken na de datum waarop zij is bekend gemaakt, danwel van rechtswege is verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel