Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
godsdienstonderwijs:
het onderricht in kennis, godsdienstgeschiedenis en cultuurgeschiedenis van een in de Nederlandse samenleving voorkomende godsdienst;
levensbeschouwelijk:
het leveren van een bijdrage aan de geestelijke vormingsonderwijs en zedelijke vorming van de leerlingen van een in de Nederlandse samenleving voorkomende levensbeschouwing;
instanties:
de kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen c.q. organisaties met volledige rechtsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 1;
leerkrachten:
de voor het geven van godsdienstonderwijs c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs door bedoelde instanties aangewezen leerkrachten.