Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2.. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een motorvoertuig/brommobiel te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; een motorvoertuig/brommobiel geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3.. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet: wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig/brommobiel een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig/brommobiel duidelijk zichtbaar is voorzien van een vergunning achter de voorruit van het motorvoertuig/brommobiel en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; voor de eigenaar of houder van een voertuig die in het bezit is van een geldige en leesbare gehandicaptenparkeerkaart (GPK) en deze op een zichtbare plaats achter de voorruit van het voertuig heeft aangebracht; voor plaatsen die zijn bedoeld voor het parkeren van autobussen en die als zodanig zijn aangeduid; indien er door een voertuig langer dan 6 meter wordt geparkeerd op een plaats waar dit volgens artikel 5.1.7. lid 2, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen 2001 is toegestaan; 4.. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op parkeerapparatuur-plaatsen waar op grond van de Verordening parkeerbelastingen 2008 naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van het verschuldigde parkeergeld. 5.. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel