**1..** Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de ingevolge artikel 100 van de Woningwet en de ingevolge artikel 397 van de Bouwverordening aangewezen opsporingsambtenaren de volgende eed of belofte af in handen van de burgemeester:
"Ik zweer/verklaar dat ik voor het verkrijgen van deze dienstbetrekking aan niemand iets heb gegeven of beloofd noch zal geven of beloven. Ik zweer/beloof dat ik van niemand enige belofte, gunst of geschenk zal aannemen om in mijn dienstbetrekking iets te doen of na te laten. Ik zweer/beloof dat ik mijn plicht nauwgezet en ijverig zal vervullen en de mij verstrekte opdrachten naar beste vermogen zal volbrengen. Ik zweer/beloof dat ik zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen, dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!
(Dat verklaar en beloof ik!)"
**2..** Na het afleggen van de eed of belofte wordt aan de betrokkene een afschrift van het eedsformulier uitgereikt, met aantekening wanneer, waar en in wiens handen de eed of belofte is afgelegd.
HOOFDSTUK VIII
Artikel 20a
Ambtseed opsporingsambtenaar
Onderdeel van Instructie ambtenaren Bouw- en Woningtoezicht