Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 5:

Uitkering bij aftreden

Onderdeel van Verordening geldelijke voorzieningen raads- en commissieleden en wethouders

1.. Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van aftreden een uitkering waarvan de hoogte en duur afhankelijk is van de duur van het raadslidmaatschap. 2.. Geen recht bestaat op een uitkering indien: de periode van raadslidmaatschap korter is dan twee maanden; het raadslid op de dag van beëindiging van zijn raadslidmaatschap 65 jaar of ouder is; het raadslid van zijn lidmaatschap vervallen is verklaard op grond van artikel X8 van de Kieswet en/of artikel 15 eerste lid Gemeentewet. 3.. De duur van de uitkering is gerelateerd aan het raadslidmaatschap en wel als volgt: duur lidmaatschapduur uitkering < 2 maanden geen uitkering 2 t/m 6 maanden 1 maand 7 t/m 12 maanden 2 maanden 13 t/m 24 maanden 4 maanden > 24 maanden 6 maanden 4.. De uitkering bedraagt 70% van de bruto raadsvergoeding per maand exclusief onkostenvergoeding.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel