Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
De exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:39c gestelde eisen;
De exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen dan wel het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2:39b, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;
In de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in en om de speelgelegenheid;
De woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze wordt benadeeld of verstoord door de exploitatie van de speelgelegenheid;
Zich in of vanuit de speelgelegenheid anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelgelegenheid gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid;
De exploitant de in artikel 2:39e neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;
De exploitant het toezicht op de naleving van het in deze afdeling bepaalde belemmert.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 10
Artikel 2:39g
Intrekkingsgronden vergunning
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden(apv)