Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging bedraagt voor de in artikel 1, onder a tot en met c bedoelde gevallen telkens ten hoogste vijf werkdagen, met dien verstande dat per kalenderjaar in totaal niet meer dan tien dagen kunnen worden toegekend.
Artikel 7
Buitengewoon verlof
Onderdeel van Regeling buitengewoon verlof voor jeugd- en jongerenwerk