De opsporing van de in artikel 40 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die krachtens artikel 18.4a Wm zijn aangewezen als toezichthoudend ambtenaar en tevens zijn belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften gegeven krachtens art. 10.23 van die wet.
Hoofdstuk 7:
Artikel 41: