De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 2, lid 1
intrekken:
indien blijkt dat de vergunningen ten gevolge van een onjuiste
of onvolledige opgave zijn verleend;
indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de
vergunningen zijn afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een
situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 6 eerste lid, onder
e;
gehandeld wordt in strijd met deze verordening;
indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden
voorschriften en beperkingen;
indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode
van langer dan zes maanden wordt onderbroken;
indien aannemelijk is, dat de exploitant of de beheerder
betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten
bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een
gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging
vormen voor het woon-of leefklimaat in de omgeving van de
speelautomatenhal;
indien de exploitant of beheerder van de speelautomatenhal
strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of
gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
gepleegd;
indien zich anderszins in de hal feiten hebben voorgedaan, die
de vrees wettigen, dat geopend blijven van de speelautomatenhal
ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
HOOFDSTUK 2
Artikel 8
Intrekkingsgronden exploitatievergunning
Onderdeel van Verordening Speelautomatenhallen Terneuzen 2011