**1..** Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet of in onvoldoende mate
worden nagekomen wordt een verlaging toegepast van 20% van de
bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand.
**2..** In afwijking van het eerste lid wordt, indien en zolang een
belanghebbende niet aan de verplichting tot het vorderen van alimentatie
voor zichzelf of minderjarige kind(eren) heeft voldaan, waardoor de
belanghebbende of het gezin niet beschikt over voldoende middelen om in
de kosten van het bestaan te voorzien en mede als gevolg daarvan een
bijstandsuitkering is toegekend, de bijstand op deze gedraging
afgestemd.
**3..** In afwijking van het eerste lid wordt, indien er sprake is van
woonkosten boven de maximale huurtoeslag en belanghebbende in
onvoldoende mate heeft voldaan aan de opgelegde bijzondere voorwaarde
om, in financieel opzicht, naar passende woonruimte te zoeken en deze te
accepteren, de tegemoetkoming in de woonkosten verlaagd.
**4. .** De verlaging van lid 2 en 3 wordt op de volgende wijze vastgesteld:
20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien de
periode waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen naar
aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting korter is
dan 3 maanden;
50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien de
periode, waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen
naar aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting 3 tot 6
maanden bedraagt;
100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, indien de
periode, waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen
naar aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting langer
is dan 6 maanden.
Hoofdstuk 4
Artikel 12
Nadere verplichtingen tijdens bijstandsverlening
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2012