De burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen;
het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.3.3.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;
het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;
in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf;
de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld;
de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2.3.3.5 onder a en b gestelde eisen;
de exploitant de in artikel 2.3.3.7 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt;
de exploitant het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.3.9
Gronden voor intrekking vergunning
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening