In deze verordening wordt verstaan onder:
a.
Openbare plaats:
een voor publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;
b.
Weg:
de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
c.
Openbaar water:
alle wateren die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
d.
Bebouwde kom:
de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 26 november 1990, nr. 120582.
e.
Rechthebbende:
eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
f.
Bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
g.
Gebouw:
elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
h.
Handelsreclame:
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.