De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de
ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige
wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de
belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich
heeft of zal krijgen.
In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het
beleid over:
- de algemene regels over het doen van een vordering;
- de faillissementsvordering;
- vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;
- de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de
wet.
19.1. Vordering algemeen
Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur
gegeven boven derdenbeslag.
Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden
gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de
omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de
voorkeur verdient.
19.1.1. Bekendmaking vordering
De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan
degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.
Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan
genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de
betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder
overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
rekening.
19.1.2. Voldoen aan de vordering
Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of
meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter
voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt.
19.1.3. Niet voldoen aan de vordering
Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet
is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd.
Hiervan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen
aan de vordering te wijten is aan de derde.
Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen
derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de
vordering ingetrokken.
Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het
beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is
voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.
19.1.4. Intrekken van een vordering
Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden
gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in. De ontvanger
maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de vordering is
gedaan.
19.1.5. Vermindering of vernietiging van de
belastingaanslag in relatie tot vordering
Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand
vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de
hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de
belastingschuldige.
19.1.6. Doorbreken beslagverboden en
vordering
Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het
vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen)
bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod
gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen
gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een
notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de
wet.
De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf
schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding
van het bijzondere karakter daarvan.
De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke
benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de
verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een
tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor
beslag.
19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering
In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de
vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt
ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende
voorwaarden:
op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de
belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;
de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op
het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste
twee maanden overschreden;
de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of
kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend
is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende
betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen.
19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot
Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden,
penningen of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap
vallen, dan kan de ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot
doen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar
uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden
aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Voor zover het
periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van artikel 19,
eerste lid, van de wet vallen, past de ontvanger de beslagvrije voet toe
alsof de echtgenoot de belastingschuldige is.
19.2. De faillissementsvordering
19.2.1. Aan te melden schulden in
faillissement
In een faillissement vallen de belastingschulden - en ook de
invorderingsrente - voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag
van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de
materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel
blijkt:
- Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het faillissement
worden als faillissementsschulden aangemerkt;
- Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement zijn
niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld worden
aangemeld.
De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of
tijdstip en doet twee aparte vorderingen:
- één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld;
- één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt.
Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet
kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan
die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de
voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip.
19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn
boedelschulden in faillissement
Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van
een surséance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen
op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het
faillissement.
Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de
belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze
van toepassing.
19.2.3. Opkomen in faillissement
Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de
vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij
bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering
daartoe noodzaken.
In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt,
vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele
voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane
belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten
onrechte niet voldoet, dan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot
de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te
bewerkstelligen.
Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger
zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval
kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.
19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke
uitkeringen
19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke
uitkeringen
Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met
betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat
de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een
doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is
beoogd.
Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven
andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt
gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe
bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere
invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering
te betrekken.
19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke
uitkeringen
Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de
invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever (artikel 19,
eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een
periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij
verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen
van zijn voornemen een vordering te doen.
De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen
zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel
met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.
De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen
na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft
achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of
uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een
belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten
betalen.
19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke
uitkeringen
Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet
vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en
waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan
dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze
uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv
toe.
In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de
periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij
vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland
woont of vast verblijft.
19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije
voet
De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de
ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een
juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de
belastingschuldige, stelt hij - op basis van artikel 58 van de wet - de
belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te
verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige
een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet
bekend is.
Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt
de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de
belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt,
wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de
eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht.
In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld
zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de
belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door
de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld.
Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een
eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met
terugwerkende kracht.
19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag
periodieke uitkering
Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland
een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond
van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat
geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de
periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over
die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn
verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.
19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet
Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet
vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening
te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door
een vordering te doen.
19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm
Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de
betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de
bijstandnorm geacht wordt te betalen. In een dergelijk geval vermindert
de ontvanger de beslagvrije voet met het bedrag dat aan deze genietingen
in natura kan worden toegerekend.
19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering
Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de
toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid,
van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan
overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de
ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in
zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het
verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang
zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de
banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de
belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken.
Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering
voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van
een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de
wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het
bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het
bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing.
Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de
belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan,
beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het
totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk
na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem
geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het
meerdere.