Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die
gelden voor de invordering van alle (rijks)belastingen.
Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam
geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog
verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking
staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden)
kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden.
In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het
beleid over:
- leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;
- feitelijke vestiging;
- lichaam dat is ontbonden;
- vereffenaar;
- bestuurder;
- gewezen bestuurder.
33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger
bij aansprakelijkheid
De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn
dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.
33.2. Feitelijke vestiging bij
aansprakelijkheid
Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet
worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.
De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.
33.3. Lichaam dat is ontbonden bij
aansprakelijkheid
De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel
c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele
ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit
handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.
Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende
ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben
voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.
Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de
bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de
vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van
het lichaam.
33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid
Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op
grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook
degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een
uitdrukkelijke lastgeving sprake is.
De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de
vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur
in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.
33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid
Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet
wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in
het Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder
aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft
gedragen.
33.6. Gewezen bestuurder bij
aansprakelijkheid
De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode
hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode
materieel is ontstaan.
33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers
Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd
is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland
gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover
zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.
Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld,
waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van
niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de
nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn
bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te
voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde
economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen
niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.
Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere
gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke
miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur.
Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf
uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op
niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.
Artikel 33
Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen