In deze verordening wordt verstaan onder:
a.
speelautomaat:
een toestel ingericht voor de beoefening van een spel
dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld
mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij
het resultaat kan leiden tot de middellijke of
onmiddellijke uitkering van prijzen of premies,
daaronder begrepen het recht om gratis verder te
spelen;
b.
behendigheidsautomaat:
een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend
kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op
gratis spelen èn het proces, ook nadat het in werking is
gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het
geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en
behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden
middelen afhangt of en in welke mate de speelduur wordt
verlengd of het recht op gratis spelen verkregen
wordt;
c.
kansspelautomaat:
een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat
is;
d.
hoogdrempelige inrichting:
een inrichting waarvoor ingevolge artikel 3, lid 1, sub
a of c van de Drank- en Horecawet een vergunning is
verleend en nog van kracht is en die niet is een
inrichting:
1.
waarin, of in een onderdeel waarvan, uitsluitend of in
hoofdzaak – met alcoholhoudende drank – eetwaren worden
verkocht, die geen maaltijden vormen;
2.
die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
in gebruik is bij sportbeoefenaars, sportorganisaties of
instellingen;
3.
die of waarvan een onderdeel in gebruik is als
wachtruimte voor passagiers van een openbaar
vervoersbedrijf;
4.
die gelegen is op of behoort bij een kampeer- of
caravanterrein;
5.
waarin onderwijs wordt gegeven;
6.
die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
in gebruik is bij jeugdorganisaties of
–instellingen;
7.
die kan worden aangemerkt als dorpshuis, buurt- of
wijkgebouw;
e.
laagdrempelige inrichting:
een inrichting die geen hoogdrempelige is;
f.
vergunning:
een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op
de Kansspelen.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening speelautomaten gemeente Baarle-Nassau 2001