Naar hoofdinhoud
1.. Om voor de in artikel 1 bedoelde tegemoetkoming in aanmerking te komen, dient het godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs gedurende de daarvoor op het aktiviteitenplan aangegeven uren in de schoolgebouwen te worden gegeven aan leerlingen van de groepen 6 tot en met 8 van de openbare scholen voor basisonderwijs, een en ander voorzover de ouders, voogden of verzorgers van die leerlingen daartegen geen bezwaar hebben. 2.. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders toestaan dat het godsdienst- en het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs mede wordt gegeven aan leerlingen van groep 5, wanneer de omvang van het personeelsbestand op een school zulks noodzakelijk maakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel