Naar hoofdinhoud

Artikel 3

- Leeftijdsverlof

Onderdeel van Verlofregeling

1.. 1 Het in artikel 2 bedoelde vakantieverlof wordt voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die in dienst getreden is vóór 1 januari 1997, van de hierna genoemde leeftijd als volgt verhoogd: a leeftijd 30 t/m 39 jaar: met 7,2 uur b leeftijd 40 t/m 44 jaar: met 14.4 c leeftijd 45 t/m 49 jaar: met 21,6 uur d leeftijd 50 t/m 54 jaar: met 28,8 uur e leeftijd 55 t/m 59 jaar: met 36 uur f leeftijd 60 en ouder: met 43,2 uur 2.. Het in artikel 2 bedoelde vakantieverlof wordt voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die in dienst is getreden op of na 1 januari 1997, van de hierna genoemde leeftijd als volgt verhoogd: a leeftijd 40 t/m 44 jaar: met 7,2 uur b leeftijd 45 t/m 49 jaar: met 14,4 uur c leeftijd 50 t/m 54 jaar: met 21,6 uur d leeftijd 55 jaar en ouder: met 28,8 uur 3.. Deze vermeerdering wordt voor het eerst genoten in het kalenderjaar, waarin de onder a, b, c, d, e en f bedoelde leeftijd wordt bereikt. 4.. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die gekozen heeft voor model 1 of 2 van de regeling flexibele arbeidstijden, wordt het leeftijdsverlof, bedoeld in lid 1 en 2, per leeftijdsgroep verhoogd met 0,8 uur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel