Indien
de ambtenaar de dienst verlaat;
de ambtenaar niet langer gehouden is dienstkleding of werkkleding te gebruiken;
de dienstkleding en werkkleding overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 is vervangen,
kan de leidinggevende de ambtenaar toestaan, dat dienstkleding of werkkleding aan deze in eigendom overgaat ten gebruik voor persoonlijke doeleinden.
De ambtenaar, die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid een tot diens dienstkleding of werkkleding behoord hebbend kledingstuk in eigendom ontvangt voordat de daarvoor vastgestelde minimum draagtijd is verstreken, moet, behoudens in de gevallen bedoeld in het derde lid van dit artikel en in het tweede lid van artikel 8, deswege aan de gemeente een vergoeding betalen waarvan het bedrag door burgemeester en wethouders, de leidinggevende gehoord, wordt bepaald op een, in verband met die draagtijd evenredig, gedeelte van de aanschaffingswaarde van dat kledingstuk.
Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing, indien burgemeester en wethouders ten aanzien van de minimum draagtijd blijkt dat deze op een korter tijdvak behoort te worden vastgesteld dan in de bijlage, bedoeld in artikel 3 is aangegeven en zij een voorstel tot wijziging daarvan in voorbereiding hebben genomen.
De ambtenaar, aan wie de in het eerste lid bedoelde toestemming niet wordt verleend, is gehouden de daar bedoelde dienstkleding of werkkleding ten spoedigste, doch uiterlijk binnen 14 dagen, nadat zich een feit als genoemd in het eerste lid heeft voorgedaan of is gebleken, in te leveren bij de leidinggevende.