Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 15

Afbouwregeling toelage onregelmatige dienst

Onderdeel van Bezoldigingsregeling

Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 14 een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid en derde lid, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: die blijvende toelage tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage als bedoeld in artikel 14; de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 14, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. De uitkeringsperiode van de toelage als genoemd in het eerste lid is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 14, direct voorafgaande aan het tijdstip van het beëindigen c.q. verminderen, heeft genoten. Het maximum van de uitkeringsperiode bedraagt drie jaar. De hoogte van de toelage als bedoeld in lid 1 wordt bepaald door de uitkeringsperiode in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande, dat hierdoor de in lid twee berekende uitkeringsperiode niet mag worden overschreden. Gedurende de drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of vermindering van een toelage, als bedoeld in artikel 14, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 14 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan, een onderbreking van langer dan twee maanden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel