Het is verboden om in een terrein waar zich een archeologisch monument bevindt, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder j, de bodem dieper dan aangegeven op de archeologische beleidskaart te verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing als:
het een verstoring betreft in Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart:
in een gebied met lage archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m² (AWV categorie 9 en 10);
in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 8);
in overige gebieden met een hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 6 en 7);
in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen aan de hand van de archeologische waardenkaart over de archeologische monumentenzorg;
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid van de Wabo en hierin voorschriften zijn opgenomen over de archeologische monumentenzorg;
het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid en aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- of beleidsadvieskaart;
een rapport is overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden voldoende worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
geen archeologische waarden aanwezig zijn.