Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 21

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening 2012

Het is verboden om in een terrein waar zich een archeologisch monument bevindt, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder j, de bodem dieper dan aangegeven op de archeologische beleidskaart te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing als: het een verstoring betreft in Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart: in een gebied met lage archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m² (AWV categorie 9 en 10); in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 8); in overige gebieden met een hoge archeologische verwachting en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie 6 en 7); in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen aan de hand van de archeologische waardenkaart over de archeologische monumentenzorg; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid van de Wabo en hierin voorschriften zijn opgenomen over de archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid en aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- of beleidsadvieskaart; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden voldoende worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel