Naar hoofdinhoud

Artikel 28

Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet

Onderdeel van verordening Leerlingenvervoer 2012

Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet. In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere aan: varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar vervoer); begeleiding tijdens groepsvervoer; gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten; varianten in het gebruik van eigen vervoer. Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is in artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening gehandeld wordt. Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft. Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven. Artikel 29 Afwijken van bepalingen Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC. Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn indien: een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap - begeleid moet worden; leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen; sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil betalen; sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel