**1.** De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. blijkt dat de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften, bedoeld in het zesde lid van artikel 6 niet naleeft;
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
d. niet binnen een jaar na verzending gebruik wordt gemaakt van de vergunning.
**2.** De vergunninghouder wordt van het voornemen tot intrekking in kennis gesteld en in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed in afschrift aan de commissie gestuurd.