Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.

Begrippen

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB 2012 RSD

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de WWB de gezinsnorm: de norm voor een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn als bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond: de op dat moment per maand geldende huurprijs als bedoeld in Wet op de huurtoeslag; -indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud; onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, de onroerend-zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en het erfpachtcanon. basishuur :het bedrag dat voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening blijft, zijnde het bedrag van de normhuur dat is genoemd in artikel 17 lid 2 van de Wet op de huurtoeslag verhoogd met het bedrag van de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage genoemd in artikel 16 eerste lid van de Wet op de huurtoeslag. commerciële huurprijs: woonkosten ten bedrage van de basishuur als bedoeld in artikel 1 lid 1 onderdeel e, indien het betreft de woonkosten zoals gedefinieerd in artikel 1 onderdeel d van deze verordening. Indien het om woonkosten gaat, waarin zijn begrepen water- en energielasten, wordt onder commerciële huurprijs verstaan het bedrag waarvan de basishuur 60 % is. In het geval van het huren van woonruimte van de ouder(s) door een kind is geen sprake van een commerciële huurprijs, ongeacht de hoogte van de huurprijs. 3. De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander, niet zijnde een kind, die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die geen deel uitmaakt van de gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, lid 3 van de wet. De noodzakelijk kosten van het bestaan kunnen gedeeld worden, indien het inkomen van die ander gelijk is aan of hoger is dan de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende thuiswonende in het Hoger Beroepsonderwijs zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van de gezinsnorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel