Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 8.

Werkwijze adviseur of adviescommissie

Onderdeel van Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2011

Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is dus mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. Het zevende lid geeft aan dat het college kan vragen aan de adviseur om voorstellen voor maatregelen of voorzieningen te doen waarmee het planologische nadeel op een andere wijze dan in geld zou kunnen worden gecompenseerd. Een mogelijke constructie zou zijn dat de adviseur op aangeven van het college bekijkt in hoeverre een bepaalde grondtransactie de schade kan compenseren. Uit artikel 6.1.1.3, tweede lid onder e, Bro vloeit voort dat de verordening moet bepalen hoe de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden worden betrokken bij de opstelling van het advies. Zodoende bepaalt het tiende lid dat de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden worden betrokken bij de opstelling van het advies. Om dat te bewerkstelligen is ervoor gekozen om, in aansluiting op de Nota van toelichting van het Bro, de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen om binnen een bepaalde termijn te reageren op het conceptadvies. Het dertiende lid bepaalt dat naast het college ook de aanvrager en eventuele derdebelanghebbenden een afschrift van het definitieve advies ontvangen. Hierdoor is het voor betrokken partijen duidelijk wat het oordeel van de adviseur is over ingebrachte zienswijzen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel