Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 14.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan

Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand

1.. Onverminderd artikel 2, lid 2, wordt, als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de Wwb, artikel 20 lid 2 van de Ioaw, of artikel 20 lid 1 van de Ioaz een maatregel opgelegd, die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand of inkomensvoorziening; 2.. Onverminderd artikel 2, lid 2, wordt de maatregel als bedoeld in lid 1van dit artikel op de volgende wijze vastgesteld:bij een periode van 3 maanden of korter: 20% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende een maand; bij een periode van 3 tot 6 maanden: 20% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende drie maanden;bij een periode van 6 maanden en langer: 20% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende zes maanden. 3.. Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien. 4.. Indien een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bedoeld in lid 1 rechtstreeks verband houdt met bijzondere bijstand, dan wordt met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 een maatregel afwijkend van lid 1 en 2 op deze bijstand toegepast; hiertoe stelt het bestuur beleidsregels vast. 5.. De verlaging als bedoeld in dit artikel, wordt direct en volledig toegepast op de eerstvolgende uitbetalingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel