Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 14b.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Maatregel Ioaw- en Ioaz-uitkering

Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand

1.. Het bestuur weigert onverminderd artikel 2, lid 2 en overeenkomstig artikel 20, lid 1 van de Ioaw, de Ioaw-uitkering en overeenkomstig artikel 20, tweede lid van de Ioaz de Ioaz-uitkering blijvend geheel in de volgende gevallen: indien aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2.. In afwijking van lid 1 onder b. weigert het bestuur de Ioaw-en Ioaz-uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, als bedoeld in of op grond van artikel 8 Ioaw en Ioaz, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. 3.. Artikel 20, lid 3 en 4 Ioaw en Ioaz is van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel