Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 14

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand 2011

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld: bij een periode tot drie maanden: tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een periode van drie tot zes maanden: tien procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden; bij een periode van zes maanden en langer: tien procent van de bijstandsnorm gedurende zes maanden. In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het onverantwoord interen van vermogen waarover een belanghebbende beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, een maatregel wordt opgelegd van tien procent over een zodanige periode dat het bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf jaar. Onder onverantwoord interen van vermogen wordt verstaan een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zonodig aangevuld met een bedrag voor de zorgverzekering. In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen deeltijdarbeid en gesubsidieerde arbeid” gelijkgesteld aan een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 9. Voor het bepalen van de hoogte van de maatregel is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel