Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 14

Voorziening overlijden

Onderdeel van Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden

1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een raadslid wordt aan de nabestaande met wie het raadslid één huishouden vormde, een bedrag ineens uitgekeerd, gelijk aan de vergoeding voor werkzaamheden voor raadsleden als bedoeld in artikel 2, berekent over een tijdvak van drie maanden. 2 Indien de overledene geen nabestaande nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel pleegkinderen. Ontbreken ook deze, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was voor ouders, meerderjarige kinderen, broers of zussen, ten behoeve van deze betrekkingen. 3 Onder de nabestaande van een raadslid wordt verstaan degene met wie het raadslid was gehuwd, c.q. een geregistreerd partnerschap was aangegaan, dan wel zijn/haar levenspartner, indien de niet-huwelijkse samenlevingsvorm blijkt uit een bij een notaris opgemaakt samenlevingscontract.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel