De in artikel 3.31 van het
Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën
moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
openbare riolering aanwezig is.
Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:
op welke plaats, op welke hoogte en met welke
binnenmiddellijn de voor het maken van de
aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de
gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
terrein moet of moeten kruisen;
of er al dan niet voorzieningen in die
aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en
faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om
op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.
Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of
er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding
moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel
ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het
openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af
te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer
op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
en lucht mogelijk is:
voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
van een openbaar riool zijn gelegen;
voor agrarische bedrijven.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7
Artikel 2.7.4
Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Beuningen 2007