Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te
duchten is.
De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder
ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere
openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt
belemmerd.
Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en
dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein
is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden
bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.9
Afscheiding van het bouwterrein
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Beuningen 2007