Naar hoofdinhoud
Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passen op de toeslag van de alleenstaande als het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door te bepalen dat de toeslag van de 21- en 22-jarigen die medebewoner zijn, op nihil wordt gesteld. Voor de 21- en 22-jarigen die zelfstandig wonen wordt de toeslag op 5 resp. 10 % gesteld, omdat deze doorgaans hogere bestaanskosten hebben dan de medebewoners. Dit handhaven wij volgens het vigerende beleid. Met verlaging van de toeslagen voor 21- en 22-jarigen wordt bereikt dat er een prikkel tot werk blijft, gelet op het verschil tussen de uitkering voor die leeftijdscategorieën en het wettelijke minimumloon. De verlaging geldt uitsluitend de alleenstaande. De alleenstaande ouder van 21 of 22 jaar ontvangt een ‘normale’ toeslag. Gelet op de noodzakelijke zorg voor een kind werd een leeftijdsverlaging niet opportuun geacht. Als de toeslag al verlaagd is in verband met het ontbreken van woonkosten wordt de (verlaagde) toeslag niet verder verlaagd in verband met de leeftijd. De toeslag voor een 21- of 22-jarige medebewoner wordt dan nihil. Voor de 21-jarige die alleen woont, blijft de toeslag beperkt tot 5%. Uitzondering is de 22-jarige die alleen woont. Zijn toeslag wordt bij het ontbreken van woonkosten verlaagd van 10% tot 5%. Dat is in het vijfdelid vastgelegd. In lid 6 is vastgelegd dat de leeftijdsverlaging niet van toepassing is op de verlaging i.v.m. schoolverlating ex artikel 8. Voor het met voorrang toepassen van de schoolverlaterverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel