Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 3

Artikel 4.3.2

Kapverbod

Onderdeel van Algemeen Plaatselijke Verordening Enkhuizen 2008

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: a. populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen, en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde Bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en, ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, ni etmeer bomen omvat dan 20; 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van Burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.3.7 en 4.3.11; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; d. bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld, staande in beplantingen van bosplantsoen en die niet voorkomen op de door burgemeester en wethouders opgestelde lijst van waardevolle bomen als bedoeld in artikel 4.3.14; e. bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld, in tuinen of erven behorende bij woningen en die niet voorkomen op de door burgemeester en wethouders opgestelde lijst van waardevolle bomen als bedoeld in artikel 4.3.14; f. het verplanten van bomen met een stamomtrek tot maximaal 63 cm, gemeten op 1,3 m hoogte boven het maaiveld; g. dode bomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel