De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
opzichte van de zijdelingse grens van het erf
zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de
op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
tussenruimten ontstaan die:
vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
minder dan 1 meter breed zijn;
niet toegankelijk zijn.
Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op
het aangrenzende erf wordt hierbij buiten
beschouwing gelaten.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste
lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
reiniging en onderhoud van de vrij te laten
ruimte.