**1..** Een instelling welke met behulp van het verleende subsidie een vermogen vormt, is daarvoor, naast het bepaalde in artikel 37, een vergoeding verschuldigd aan de gemeente, indien:
**a..** de instelling voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
**b..** de instelling een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
**c..** de instelling de activiteiten geheel of gedeeltelijk beëindigt;
**d..** de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt gewijzigd of wordt ingetrokken;
**e..** het subsidie wordt beëindigd.
**2..** De vergoeding wordt binnen een jaar door burgemeester en wethouders bepaald, nadat zij op de hoogte zijn gekomen of konden zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling.
**3..** In de gevallen waarin sub c, d en e van het eerste lid van dit artikel van toepassing zijn, is de instelling ter zake van de vermogensvorming vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin het subsidie aan de vermogensvorming heeft bijgedragen.
**4..** Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen.
**5..** Indien het roerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
Hoofdstuk XI
Artikel 38
Artikel 38
Onderdeel van Verordening regelende de algemene bepalingen en voorwaarden voor subsidies