Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Werkwijze adviseur of adviescommissie

Onderdeel van Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Olst-Wijhe 2008

1.. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraagbetrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar hetoordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden terbeschikking. 2.. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseurof de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3.. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerderehoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijkevertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie teverschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokkenbestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpuntkenbaar te maken. 4.. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop deadviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5.. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak,wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6.. Wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 7.. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnenzestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 8.. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 9.. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 10.. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of deadviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel