**1..** Op basis van artikel 4.1 lid 5, artikel 5.3 lid 3 en artikel 6.1.lid 3 van de verordening wordt bepaald dat een persoonsgebonden budget voor een voorziening, zoals bedoeld in artikel 4.1. lid 2 sub b en c, artikel 5.1 lid 2 sub b en artikel 6.1 lid 2 sub c en d, geacht wordt toereikend te zijn voor de aanschaf van een voorziening en het onderhoud daarvan gedurende een redelijke afschrijvingstermijn, zoals aangeven in de toekenningbeschikking waarin het eerdere persoonsgebonden budget is verstrekt.
**2..** Binnen een redelijke afschrijvingstermijn, zoals aangegeven in de toekenningbeschikking waarin het eerdere persoonsgebonden budget is verstrekt ,wordt voor dezelfde voorziening niet tweemaal een persoonsgebonden budget verstrekt. Dit geldt ook voor een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening.
**3..** Uitzonderingen op het gestelde in lid 2 zijn situaties waarin de beperkingen van de ondersteuningsvrager dusdanig zijn veranderd dat de reeds verstrekte voorziening niet meer adequaat is en een andere voorziening nodig is, tenzij de voorziening bij normaal gebruik eerder aan vervanging toe is.
**4..** Als een voorziening na de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde afschrijvingstermijn nog adequaat is, wordt geen nieuwe voorziening toegekend. Dit geldt ook voor een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening.
**5..** Als een voorziening, die aangeschaft is met een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming, niet langer gebruikt wordt door de ondersteuningsvrager moet deze ingeleverd worden bij de gemeente.