**1..** Een persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub b van de verordening, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten om de beperkingen op het gebied van het normale gebruik van de woning te compenseren zoals bepaald in de toekenningbeschikking.
**2..** Een persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub c en d van de verordening, is gelijk aan het bedrag dat het College zou moeten betalen voor de meest adequaat goedkoopst compenserende naturaverstrekking.
**3..** Het bedrag genoemd in artikel 1.1 onder v van de verordening bedraagt € 45.378,-.
**4..** Het bedrag genoemd in de artikelen 4.2 lid 2, in artikel 4.2 lid 3 en in artikel 11.3 lid 3 van de verordening betreft een bedrag van € 3.000,-.
**5..** De restitutie als bedoeld in artikel 4.3 lid 17 bedraagt:
voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde,
voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde,
voor het derde jaar 80% van de meerwaarde,
voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde,
voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde,
voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde,
voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde,
voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde
voor het negende jaar 20% van de meerwaarde en
voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde
in alle gevallen minus het percentage van de kosten van getroffen voorzieningen, dat voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gekomen.
**6..** Het bedrag genoemd in artikel 4.3 lid 17 van de Verordening betreft een bedrag van € 7.500,-.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 3.
Artikel 7.
Persoonsgebonden budget, drempelbedragen voor een woonvoorziening
Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012