Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 3.

Artikel 7.

Persoonsgebonden budget, drempelbedragen voor een woonvoorziening

Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012

1.. Een persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub b van de verordening, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten om de beperkingen op het gebied van het normale gebruik van de woning te compenseren zoals bepaald in de toekenningbeschikking. 2.. Een persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 sub c en d van de verordening, is gelijk aan het bedrag dat het College zou moeten betalen voor de meest adequaat goedkoopst compenserende naturaverstrekking. 3.. Het bedrag genoemd in artikel 1.1 onder v van de verordening bedraagt € 45.378,-. 4.. Het bedrag genoemd in de artikelen 4.2 lid 2, in artikel 4.2 lid 3 en in artikel 11.3 lid 3 van de verordening betreft een bedrag van € 3.000,-. 5.. De restitutie als bedoeld in artikel 4.3 lid 17 bedraagt: voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde, voor het tweede jaar 90% van de meerwaarde, voor het derde jaar 80% van de meerwaarde, voor het vierde jaar 70% van de meerwaarde, voor het vijfde jaar 60% van de meerwaarde, voor het zesde jaar 50% van de meerwaarde, voor het zevende jaar 40% van de meerwaarde, voor het achtste jaar 30% van de meerwaarde voor het negende jaar 20% van de meerwaarde en voor het tiende jaar 10% van de meerwaarde in alle gevallen minus het percentage van de kosten van getroffen voorzieningen, dat voor rekening van de eigenaar van de woonruimte is gekomen. 6.. Het bedrag genoemd in artikel 4.3 lid 17 van de Verordening betreft een bedrag van € 7.500,-.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel