Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de kansspelen;
b. Speelautomatenbesluit: het bij KB van 23 mei 2000 Stb 224 vastgestelde
Speelautomatenbesluit 2000;
c. speelautomaat: een toestel, als omschreven in artikel 30, onder a, van de
wet zijnde een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat
bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of
elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of
onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder
begrepen het recht om gratis verder te spelen;
d. behendigheidsautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30,
onder b, vande wet zijnde een speelautomaat waarvan:
1. het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of
het recht op gratis spellen, en
2. het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan
worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en
behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en
in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen
wordt;
e. kansspelautomaat: een speelautomaat, als bedoeld in artikel 30, onder c,
van de wet zijnde een automaat die geen behendigheidsautomaat is.
f. speelautomatenhal: een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste
lid, onder c, van de wet zijnde een inrichting, bestemd om het publiek
gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen,
als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder c, van de wet;
g. ondernemer/exploitant:
1. de natuurlijke persoon die de speelautomatenhal exploiteert;
2. de rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;
h. vergunninghouder:
1. de ondernemer als bedoeld onder g., punt 1;
2. de natuurlijke persoon of natuurlijke personen die de ondernemer als
bedoeld onder g., punt 2, in rechte vertegenwoordigt of
vertegenwoordigen;
i. bedrijfsleider:
1. de vergunninghouder alsmede;
2. degene die door de vergunninghouder is aangesteld en belast is met de
algemene leiding in de speelautomatenhal;
j. beheerder: degene, die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke
leiding in de speelautomatenhal is belast;
k. openbare weg conform de Wegenverkeerswet ’94: alle voor het openbaar rij-
of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin
gelegen bruggen en duikers, de tot die wegen of paden behorende bermen en
zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en
als zodanig aangeduide parkeerterreinen.