De Wi betekent voor de gemeente dat zij de taak heeft om de inburgeringsplicht te handhaven. De invulling van deze taak wordt aan de gemeente overgelaten.
De volgende punten moeten minimaal in de handhaving aan de orde komen:
Het (laten) uitvoeren van een intaketoets en competentietoets om het startniveau en het leervermogen vast te stellen;
Voortgangscontrole;
Controle op het inburgeringsexamen en de bestuurlijke boete.
Gemeenten kunnen een bestuurlijke boete opleggen indien inburgeringsplichtigen zich niet aan hun plicht houden. Dit kan alleen als er sprake is van verwijtbaarheid. Uiteraard zijn de bepalingen van de Awb (onder andere horen en zwijgrecht) hier op van toepassing. Bij het vaststellen van de overtreding en van de hoogte van de bestuurlijke boete zal de gemeente telkens een individuele afweging moeten maken.
Gesprekken met inburgeringsplichtigen worden vastgelegd in een gespreksbevestiging/-notitie die door de inburgeringsplichtige en klantmanager worden ondertekend. De inburgeringsplichtige ontvangt hiervan een kopie. Het origineel wordt in het inburgeringsdossier bewaard.
Een inburgeringsplichtige wordt bij aanvang van de inburgeringstermijn opgeroepen en ontvangt een vaststellingsbeschikking van de inburgeringstermijn.
Vervolgens wordt de inburgeringsplichtige met een 5 jarige examentermijn aangeschreven voor voortgangscontrole 1,5 jaar na startdatum, 3 jaar na de startdatum en een halfjaar voor het verlopen van de inburgeringstermijn.
De inburgeringsplichtige met een 3,5 jarige examentermijn wordt aangeschreven voor voortgangscontrole 1,5 jaar na startdatum en een half jaar voor het verlopen van de inburgeringstermijn.
De gegevens van de handhaving worden vastgelegd in GWS4all.