**1..** Een persoon met beperkingen komt niet in aanmerking voor een voorziening op grond van de Wmo als het (bruto) verzamelinkomen de (bruto)inkomensgrens overschrijdt. Voor de volgende voorzieningen geldt een inkomensgrens:
Hulp bij het huishouden 1 zoals genoemd in artikel 3.1 b en c
Woonvoorzieningen zoals genoemd in artikel 5.1;
Vervoersvoorzieningen zoals genoemd in artikel 6.1 b t/m f.
**2..** Voor de volgende voorzieningen geldt geen inkomensgrens:
Hulp bij het huishouden 2 zoals genoemd in artikel 3.1 b en c;
Respijtzorg zoals genoemd in artikel 3.6 van de Wmo-verordening;
Thuisbegeleiding zoals genoemd in artikel 4.1 van de Wmo-verordening;
Een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer zoals genoemd in artikel 6.1 a van de Wmo-verordening;
Algemene voorzieningen zoals genoemd in artikel 3.1 a van de Wmo-verordening van de Wmo-verordening;
Rolstoelvoorzieningen zoals genoemd in artikel 7.1 Wmo-verordening.
**3..** Indien een inkomensgrens geldt voor een voorziening, ligt die grens op 2,5 maal de op de persoon met beperkingen van toepassing zijnde bruto IOAW-grondslag (personen jonger dan 65 jaar) of de bedragen van het bruto-ouderdomspensioen uit de AOW (voor personen van 65 jaar en ouder).
**4..** Indien het (bruto) verzamelinkomen de (bruto)inkomensgrens overschrijdt, komen alleen de kosten van de voorziening, voor zover die boven de draagkracht van de persoon met beperkingen (en diens eventuele partner) overschrijden, voor vergoeding in aanmerking.
**5..** Indien het inkomen in de tussenliggende periode vanaf het toetsjaar tot het moment van aanvragen met meer dan 20% is gewijzigd, dan wordt gekeken naar het actuele inkomen.