Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gezinsnorm verlagen indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Lid 1: Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10% van de gezinsnorm.
Lid 2: Bij gezinnen met 3 of meer meerderjarige gezinsleden en een medebewoner zien we af van een verlaging. Hoewel de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden, blijven kosten voor een zorgpremie en de eigen bijdrage ziektekosten individueel overeind.