Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2

Artikel 3.4

Het recht op een woonvoorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Haarlemmermeer 2009

1.. Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1., onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebreke een aanpassing van de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen. 2.. Een ondersteuningsvrager kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1., eerste lid, onder b. in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen of problemen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken, de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt en de kosten van de woonvoorziening als genoemd in artikel 3.1.eerste lid, onder c. d. en h. hoger zijn dan het bedrag als genoemd in het Besluit. 3.. Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 3.1, eerste lid, onder c. t/m h. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht,indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en in de in de in het vorige lid genoemde voorziening niet mogelijk is of als de kosten van de woonvoorziening als genoemd in artikel 3.1 eerste lid, sub c., d. en h. lager zijn dan het bedrag zoals genoemd in het Besluit. 4.. Een ondersteuningsvrager kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 3.1. onder i in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. 5.. De in lid 1 t/m 5 genoemde beperkingen moeten in een direct oorzakelijk verband staan met de bouwkundige of woontechnische staat van de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid. 6.. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 wordt geweigerd als: de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; als de ondersteuningsvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het College; de woonvoorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de ondersteuningsvrager is verhuisd vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de ondersteuningsvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; er in de verlaten woning geen probleem met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel