Met betrekking tot de waarderingssubsidies en de budgetsubsidies worden de volgende subsidiabele kosten onderscheiden:
Personeelskosten.
Huisvestingskosten.
Organisatie- / materiële kosten.
Activiteitenkosten, niet zijnde kosten van consumpties en traktaties.
Afschrijvingskosten.
Gemeentelijke belastingen en heffingen.
Accountantskosten.
Geen subsidiabele kosten zijn:
Kosten van acties en dergelijke ter verwerving van inkomsten.
Kosten van consumpties, traktaties.
Kosten van geschenken en attenties voor zover deze geen directe relatie hebben met de organisatie van de instellingen en hun activiteiten.
Materiële en financiële ondersteuning van derden.
Kosten van barexploitatie inclusief het doen van de daarvoor benodigde investeringen.
Kosten van levering van goederen en diensten aan derden, tenzij het college hiervoor vooraf toestemming heeft verleend en het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Op de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid worden de volgende baten in mindering gebracht:
Eigen bijdragen van leden / deelnemers.
Ontvangsten van renten van beleggingen.
Ontvangsten van derden voor verrichte diensten.
Uitkeringen van verzekeringen.
Andere inkomsten waaronder sponsoring en donaties van gelieerde organisaties en instellingen.
De baten worden in mindering gebracht op de kostensoorten waarop zij betrekking hebben.
Niet in mindering gebracht worden de baten van incidentele acties die er specifiek op zijn gericht inkomsten te verwerven (fondsenwerving). Dat met in achtneming van het gestelde in de artikelen 19 en 20 betreffende de egalisatie- / risicoreserve.
Van toepassingverklaring afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht.