In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de wet: de Wet werk en bijstand.
normbedrag: het toepasselijke naar leefvorm vastgestelde bedrag als bedoeld in artikel 20 en 21 van de wet.
gezinsnorm: het normbedrag dat conform de wet wordt toebedeeld aan een huishouden dat bestaat uit 2 of meer meerderjarige personen.
toeslag: het verhogen van het normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met een percentage (ten hoogste 20%)van het normbedrag voor gezinnen.
verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gezinnen met een percentage (ten hoogste 20%) van het normbedrag voor gezinnen.
onderhuurder: de persoon die onderhuurt of op commerciële basis een medebewoner is en wiens woonsituatie voldoet aan het volgende:
1. het te onderhuren/mede-te-bewonen deel van de woning is zelfstandig geschikt voor bewoning,
2. de prijs per maand is minstens gelijk aan 10%van het normbedrag voor gezinnen en
3. de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres
hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in de woonruimte hoofdverblijf heeft.
WSF-/WTOS-kind: een kind dat een basisbeurs ontvangt ingevolge de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten.
zorgbehoevende: een persoon die een AWBZ indicatie heeft waaruit blijkt dat hij is aangewezen op 10 of meer uren zorg per week en deze zorg ontvangt van één der meerderjarige op hetzelfde adres woonachtige familieleden in 1e en 2e graad, zonder dat hiervoor een pgb wordt ontvangen.
Woonkosten; hetgeen in geld verschuldigd is voor het enkele gebruik van woonruimte waarin feitelijk verblijf wordt gehouden
woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin feitelijk verblijf wordt gehouden.
§ 5.1
Artikel 27.
Aanvullende definities voor deze paragraaf
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz