Met inachtneming van de daarvoor bij of krachtens de wet gestelde regels en onverminderd het bepaalde in artikel 12, lid 5, kunnen burgemeester en wethouders een eigen graf op verzoek van de rechthebbende en na betaling van het daarvoor krachtens de heffingsverordening verschuldigde recht, laten ruimen.
Rechthebbende zijn in geval van toepassing van het 1e lid bevoegd de verzamelde resten wederom in dezelfde grafruimte te doen plaatsen, mits de omstandigheden het toelaten.
Wanneer het recht op een bepaalde grafruimte is vervallen, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde regels, dat graf te ruimen.
De ruiming van algemene graven geschiedt met inachtneming van de bijof krachtens de wet gestelde regels, na een daartoe genomen besluit van burgemeester en wethouders.
De overblijfselen van lijken en kisten, die bij ruiming aangetroffen worden, worden herbegraven.
Tot ruiming van een graf als bedoeld in het 1e, 3e en 4e lid van dit artikel zal niet eerder worden overgegaan dan dat 20 jaar is verstreken na de datum van de laatste begraving in dat graf.
AFWIJKINGSBEVOEGDHEID
Artikel 25
Artikel 25
Onderdeel van Verordening op het gebruik en het beheer van de Algemene Begraafplaats van de gemeente Bunnik