De aanleg van een uitweg kan de veiligheid van het verkeer op de weg nadelig beïnvloeden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het verkeer geremd wordt, de doorstroming, de parkeer mogelijkheden of de vrije ruimte beperkt wordt. Om de veiligheid van de weg te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden.
Een omgevingsvergunning voor een uitweg op een weg die deel uitmaakt van de hoofdwegenstructuur wordt altijd geweigerd
Het is ongewenst om uitwegen aan te sluiten op gebiedsontsluitingswegen. Uitwegen moeten, indien mogelijk, aangesloten worden op parallelwegen. Een uitwegvergunning wordt alleen verleend als er geen andere mogelijkheid is om het betreffende perceel te ontsluiten.
Op erftoegangswegen bestaat geen bezwaar tegen de aanleg van een uitweg. Daarnaast wordt een vergunning geweigerd als:
er sprake is van een verzamelpunt voor afvalcontainers en hiervoor geen alternatieve locatie in de nabijheid voorhanden is;
de uitweg aangelegd moet worden over een watergang of sloot waarop keur of schouw van toepassing is en hiervoor geen vergunning/toestemming van het waterschap is verkregen;
de aangevraagde uitweg nu geen belemmering oplevert voor de bruikbaarheid van de weg, maar naar verwachting in de toekomst wel, bijvoorbeeld door een geplande wijziging van de omstandigheden ter plekke;
als het zicht vanaf de uitweg op de openbare weg wordt belemmerd door bijvoorbeeld een onoverzichtelijke bocht, een bomenrij, hoge struiken of andere zichtbelemmerende objecten. Dit geldt eveneens voor het zicht vanaf de weg op de uitweg;
als de uitweg een fietspad kruist. Het verkeer op dit fietspad moet zowel vanaf de weg als vanaf de uitweg voldoende zichtbaar zijn. In dergelijke situaties wordt altijd ter plaatste de zichtbaarheid gecontroleerd;
als de aanleg van een uitweg de mogelijkheden om lichtmasten op de gewenste regelmatige afstanden te plaatsen beperkt;
op een plaats waar de ruimte voor het plaatsen van een personenauto op de grond van de aanvrager minder dan 5 meter zou bedragen (auto steekt over op bv. voetpad, fietspad rijbaan);
ter hoogte en over de lengte van op de rijbaan aangebrachte opstelstroken, voorsorteervakken, middengeleiders en verdrijvingsvlakken;
Als de uitweg aangevraagd wordt voor een weg met een blok rijwoningen geldt het volgende:
in de situatie waarbij een eerste uitweg wordt aangevraagd voor een perceel behorend tot een blok rijwoningen verleent het college geen vergunning voor een eerste uitweg ten behoeve van een tussenwoning. Naar het oordeel van het college is dit schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de omgeving;
een vergunning voor een eerste uitweg kan uitsluitend worden verleend ten behoeve van een eindwoning waarbij het hele voertuig achter de voorgevel kan worden geparkeerd of ten behoeve van een woning, waarbij de garage met toestemming van het college vóór de voorgevel is gebouwd én er geen weigeringsgronden zijn op grond van artikel 2:12, lid 2 van de APV.
Als een aanvrager die oproepbaar moet zijn vanuit zijn functie voor het verlenen van spoedeisende hulp (bv ambulancedienst, brandweer, huisarts) kan dat een reden zijn om af te wijken van de regels in dit artikel voor de afmeting, vorm en ligging van de uitweg. Deze persoon moet met een eenvoudige manoeuvre de uitweg kunnen verlaten om zo snel mogelijk de gevraagde hulp te kunnen verlenen. Dit belang weegt nog zwaarder wanneer het gaat om een ambulancevoertuig of dienstwagen van de brandweer die op de uitweg geparkeerd moet worden. De vergunning wordt in dat geval verleend onder de voorwaarde dat de vergunning wordt ingetrokken zodra de genoemde activiteiten worden beëindigd of de vergunninghouder verhuisd.De uitweg wordt dan verwijdert.
Artikel 6
– Toetsingscriterium art, 2:12 APV: Indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
Onderdeel van Beleidsregels uitwegen