1.In deze verordening wordt verstaan onder:
IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
college: het college van burgemeester en wethouders
uitkering: de uitkering als bedoeld in artikel 5 eerste lid IOAW/IOAZ;
uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag als bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid IOAW/IOAZ;
maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20 eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20 eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ;
belanghebbende: de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW dan wel de IOAZ.
2.Voor zover niet anders bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de IOAW/IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.